De bril van Moonen en Bosman

Volgens Bosman en Moonen is dyslexie op school te voorkomen, maar hun methodes zijn lijken niet eens een beetje op elkaar…..

Hieronder beschrijf ik hun overeenkomsten en verschillen, het standpunt van Verborgen Schatten en leg ik hun methodes langs de meetlat van ‘Leren lezen zonder buikpijn.’

Overeenkomst: dezelfde bril

Waarin Anna Bosman en Eric Moonen in overeenkomen is hun opvatting over dyslexie. Die opvatting past naadloos in het onderwijs- en opvoedmodel, één van de brillen waarmee naar mensen met bijzondere breinen wordt gekeken.  (zie ‘Van medisch model naar neurodiversiteit’ zie de publicaties op deze website van maart 2017).

‘Opvattingen uit dit model zien we op alle gebieden terug: wetenschappers die autisme en AD(H)D wijten aan een verkeerde opvoeding en dyslexie en dyscalculie aan een ontoereikende aanpak binnen het onderwijs. Zij stellen, dat er geen sprake is van een stoornis, maar dat voor deze kinderen een gedegen aanpak nodig is, waarbij de zwakke kanten worden versterkt.

Ook aan dit model zitten positieve kanten. Meer kennis bij scholen en ouders zou zeker helpen, maar dat voorkomt niet de verschillen tussen mensen met ‘standaardbreinen’ en mensen met bijzondere breinen. Daarnaast is in dit model is geen oog voor de kwaliteiten van mensen met bijzondere breinen.’

Verschil: de methodes waarmee dyslexie voorkomen kan worden

Qua aanpak verschillen Moonen en Bosman totaal. Even voor de duidelijkheid. Anna Bosman heeft onderzoek gedaan naar de resultaten van de taalmethode Staal, een ‘restyling’ van de oude methode ‘Letterstad’ van Harmen Kooreman.

Eric Moonen is taalkundige en heeft de Alfabetcode ontworpen, omdat hij zag dat het klanksysteem van het Nederlands veel problemen oplevert bij beginnende lezers. Zijn aanpak lijkt erg op die van Willem de Haan. Naar de werking van zijn methode is nog geen onderzoek gedaan.

Beide methodes zijn een poging om het leren lezen en spellen in de basisschool voor alle leerlingen – en ook voor leerlingen met dyslexie – systematischer aan te pakken. Op zich is dat positief.

Wanneer Moonen er echter van uitgaat, dat spellingregels niet nodig zijn, omdat leerlingen na verloop van tijd ‘spellingpatronen gaan zien’ en dat hardop lezen het leesproces bevordert, dan kan ik alleen maar constateren, dat hij veel weet van het Nederlandse taalsysteem, maar bijzonder weinig van leerlingen met dyslexie.

Bosman constateert bij een aantal leerlingen vooruitgang met de methode Staal op één meetmoment, maar vraagt zich niet af of het geleerde na een half jaar nog aanwezig is en of er transfer van deze vaardigheden heeft plaatsgevonden bij het maken van het schrijven van teksten. Zij is meer gefocust op toetsresultaten dan geïnteresseerd in wat deze aanpak dyslectische leerlingen werkelijk oplevert.

En waarom onderzoekt niemand wat leerlingen met dyslexie vinden van een bepaalde methode? Dat zou heel relevante informatie opleveren!

Standpunt Verborgen Schatten

–     Het is te gemakkelijk om te zeggen dat dyslexie niet bestaat. Het gaat voorbij aan jarenlang wetenschappelijk onderzoek, professionele en ervaringsdeskundigheid. Problematisch zijn de verschillende brillen waarmee wetenschappers en ontwikkelaars van taalmethodes naar dyslexie kijken.

–     Sinds de invoering van de leerplicht zijn al veel taalmethodes uitgeprobeerd. Zowel de aanpak van Bosman als die van Moonen komen niet uit de lucht vallen. Er is tot nog toe geen methode geweest die dyslexie voorkwam.

–     Wetenschappers en ontwikkelaars van taalmethodes moeten bij al hun werk de doelgroep betrekken en stoppen met uitspraken te doen over hun hoofden (en ruggen) heen.

–     Werkwijzen die worden ontwikkeld moeten aansluiten bij zowel de zwakke als de sterke kanten van leerlingen met dyslexie. Hier is inmiddels voldoende kennis over om mee aan de slag te gaan!

In het Bewaarnummer 1 van Woortblind ‘Kleuters met aanleg voor dyslexie – Leren lezen zonder buikpijn’* worden drie criteria genoemd waaraan een aanpak van leren lezen en schrijven voor kinderen met dyslexie zou moeten voldoen: als je eraan toe bent, in je eigen tempo, op je eigen manier.

Wat zeggen deze criteria over de methodes van Bosman en Moonen?

 Als je eraan toe bent

Dit criterium is ontwikkeld door ontwikkelingspsycholoog Ewald Vervaet. Hij stelt, dat er bij de ontwikkeling van het lezen en schrijven een belangrijke grens ligt  tussen de ontwikkelingsfasen 13 en 14. Wanneer de neurale netwerken in de hersenen zover gegroeid zijn dat er sprake is van ontwikkelingsfase 14, dan zijn de hersenen van leerlingen toe aan het leren lezen en schrijven. De gemiddelde leeftijd hiervoor is 6 jaar en 6 maanden.

Nu is bekend, dat de ontwikkeling van het lezen en schrijven bij kinderen met een aanleg voor dyslexie later op gang komt dan bij andere kinderen. Ewald Vervaet spreekt van scheefgroei als je een kind met dyslexie dwingt tot lees-en schrijfactiviteiten waar het neurologisch nog niet aan toe is.

Beide methodes sluiten niet aan bij dit uitgangspunt: alle leerlingen beginnen in dezelfde schoolweek met de methode. De methode staat centraal, niet de leerling.

In je eigen tempo

Wellicht dat de methode Staal rekening houdt met tempoverschillen, want niet iedereen hoeft op hetzelfde moment hetzelfde te doen en te kunnen. Er is sprake van een zekere differentiatie.

In de methode van Moonen leren alle kinderen per week een aantal klanken/letters herkennen en schrijven. Volgens hem kan iedere leerling dit tempo bijhouden.

Op dit criterium scoort de methode Staal dus beter dan de Alfabetcode van Moonen.

Op je eigen manier

Sterke kanten van leerlingen met dyslexie zijn in beide methodes niet aan de orde. Geen visualisaties, niet leren via ritme of muziek, geen 3-Dmateriaal dat je kunt vastpakken, geen eigen inbreng of creativiteit, gewoon zitten aan je tafeltje met papier en pen.

In de methode Staal die Anna Bosman onderzocht, wordt wel gebruik gemaakt van de motorische ingang om leerstof te verwerken door het gebaren aan klanken te koppelen. Bij Eric Moonen bestaat het motorische element vooral uit het schrijven.

Multisensorisch – dus gebruik maken van alle zintuigen – wordt het nergens.

 Spelling leren met het hele brein

In die zin zou ik toch nog graag willen wijzen op de voortreffelijke aanpak van ‘Spelling leren met het hele brein’ van Irene Besnard-van Baaren. Deze aanpak voldoet aan alle bovenstaande criteria en is gebaseerd op jarenlange ervaring van coaching van leerlingen met dyslexie. ‘Spelling leren met het hele brein’ is te gebruiken naast elke andere taalmethode en is een verademing voor kinderen met dyslexie en alle andere kinderen die geen talenknobbel hebben.

Genoemde literatuur

2013    Bewaarnummer 1 van Woortblind ‘Kleuters met aanleg voor dyslexie – Leren lezen zonder buikpijn’. Verkrijgbaar als hardcopy bij Impuls&Woortblind, downloaden via www.verborgenschatten.eu

2014    Irene Besnard-van Baaren Spelling leren met het hele brein. Garant Uitgevers.

2012    Erik Moonen Dwaalspoor Dyslexie – hoe elk kind een vlotte lezer wordt. Met de revolutionaire Alfabetcode. Standaard Uitgeverij.

2010    Ewald Vervaet Naar school – Psychologie van 3 tot 8. Utrecht, Kosmos Uitgevers.